Het polderlandschap rondom Delft is niet vlak. Integendeel, sommige plekken zijn wel meters lager dan andere. Dit werd/wordt veroorzaakt door lokale verschillen in bodemdaling en veenafgravingen. Daarom moesten sub-polders aangelegd worden. De Polder van Nootdorp, bijvoorbeeld, bestaat uit meer dan 15 sub-polders, die elk hun eigen waterkering en watergangen hebben. En iedere sub-polder heeft zijn eigen streefpeil, dat is het waterpeil nagestreefd door het Hoogheemraadschap van Delfland, zoals je op dit kaartje kan zien.

Polderpeilen rondom de Buiten Delftse Waterloop – zie kaartje beneden met binnenboezempeilen.

Water stroomt van hoog naar laag. Zo ontstaat een cascade aan watergangen, waarin water van hoger gelegen sub-polders naar lager gelegen stroomt. Binnen zo’n sub-polder zijn door de eeuwen heen weer vele drainage sloten aangelegd. Dat is goed te zien op historische kaarten, zoals de Cruquiuskaart uit 1712. Het landschapspatroon uit die tijd is nog steeds te herkennen in ons polderlandschap.

Voordat we verder ingaan op die cascade aan watergangen moeten we eerst de bodem induiken. Die bestaat rondom Delft uit klei en veen, afzettingen uit het Holoceen. Deze grondsoort is erg slecht doorlatend. Dat betekent dat water moeilijk door de bodem kan stromen, zoals we uitleggen in “Wat is grondwater?”. Per dag kan dat water hier zelfs minder dan zo’n 0.01 mm afleggen, zoals je in dit Wikipedia artikel kan lezen. Dus na een plensbui stroomt het regenwater helemaal niet via de bodem naar de sloten in en rondom de polder. De waterhuishouding in de weide-veenlandschappen, zoals in de omgeving van Delft wordt dus bepaald door het verschil in neerslag en verdamping. Daarom zijn vele weilanden (onze weide-veengebieden) vrijwel de hele winter nat.

Maar als er te veel water op de weilanden staat, kan het natuurlijk wel over het gras afstromen naar de watergangen van de polders. En dat gaat nog sneller als de bodem verhard is door bestrating of bebouwing. Dan kan er opeens heel veel water in de watergangen komen te staan. Al dat water komt via de cascade in die watergangen terecht in de diepste sub-polder. Van daaruit moet het dan worden weggepompt om wateroverlast te voorkomen.

In de zomer, als het lang niet regent, kan de polder ook te droog worden. Dat levert problemen op voor natuur, waterkwaliteit en soms ook voor lokale bedrijven, zoals hieronder wordt uitgelegd. Dan kan het watersysteem in de polder gebruikt worden om gecontroleerd water in te laten, en daarmee het water in de watergangen te verversen. Een ander groot probleem bij langdurige droogte is de uitdroging van veendijken. Deze kunnen dan instabiel worden, afschuiven met forse wateroverlast ten gevolg.

Zo werd een getrapt, hiërarchisch systeem ontworpen waarmee water kan worden ingelaten, afgevoerd en rondgepompt. Bovenaan in de hiërarchie staat de Boezem. De Boezem kan water lozen op de Binnenboezem. De Binnenboezem loopt langs de polders en brengt vervolgens water naar de wetering (de hoofdwatergang in de polder) en vandaar naar de poldersloten. Als het te nat is, wordt water uit de poldersloten de Boezem ingepompt. Als er te weinig is, wordt water uit de Boezem of Binnenboezem de polder ingelaten. Soms kan water in een binnenboezem in twee richtingen stromen, zoals in de Bieslandse Molensloot. Dit systeem wordt ook gebruikt om water in de polders te circuleren waarmee de waterkwaliteit, waaronder het zoutgehalte, op orde wordt gehouden. In onderstaande satellietfoto zijn de Boezem en Binnenboezem in de polders langs onze waterloop getekend.

Boezem, Binnenboezem (BB), gemalen (witte driehoekjes) en grenzen polders (blauwe lijn, zie ook “Overzicht Polders”) langs de fietsroute. De noordelijke Binnenboezem (-2,3/-2,35 m NAP) is de Tweemolentjesvaart en de zuidelijke (-2,14 m NAP) de Bieslandse Molensloot.

De weide-veenlandschappen in het boezemgebied zijn erg gevoelig voor inklinking, wat grote bodemdaling kan veroorzaken (zie Oude Waterloop – Bodemdaling). Met name drainage is een grote boosdoener. Zo zijn de polders ook ontstaan. Daarenboven is op diverse plaatsen ook veel turf (veen) gewonnen. Om die drainage te minimaliseren wordt het waterpeil in de polders zo hoog mogelijk gehouden. Daarbij wordt natuurlijk rekening gehouden met het gebruik van het land, zoals bewoning, bedrijvigheid en agrarisch gebruik. Dat waterpeil wordt vastgelegd in het Peilbesluit van het Hoogheemraadschap van Delfland; dat is het streefpeil in de Boezem, de Binnenboezem en in de polder. In de zomer is het streefpeil dikwijls hoger dan in de winter. Het hogere zomerpeil compenseert voor de verdamping die in de zomer hoger is dan in de winter. Met het lagere winterpeil hebben we een buffer om neerslag in de natte wintermaanden op te vangen.

Er zijn twee binnenboezems in onze Waterloop: de Tweemolentjesvaart / Nootdorpse Plassen met een streefpeil van -2,3/-2,35 m NAP (zomer-/winterpeil) en de Bieslandse Molensloot (evenwijdig aan de Korftlaan) met een streefpeil van -2,14 m NAP.

De Binnenboezem Tweemolentjesvaart begint bij de sluis in de Tweemolentjeskade / Aan ’t Verlaat (stop 2) en splitst direct na het Gemaal van Nootdorp (stop 3) in twee evenwijdige watergangen, de Tweemolentjesvaart en de Nootdorpse Plassen. Deze heeft een vertakking richting Delfgauw en loopt door naar Nootdorp bijna tot aan de A12. De totale lengte van deze binnenboezem is meer dan 7 km.

De Binnenboezem Bieslandse Molensloot begint bij het Gemaal van de Bieslandse Bovenpolder en loopt tot Gemaal van de Polder van Biesland. Deze binnenboezem is ongeveer 1 km lang.

Rondom deze twee binnenboezems vind je de drie polders, de Bieslandse Bovenpolder, de Polder van Biesland en de Polder van Nootdorp. Zoals uitgelegd is het streefpeil binnen die polders niet constant – er is een grote variatie aan polderpeilen, zoals op het kaartje boven is aangegeven. Op de zogenaamde leggerkaarten van het Hoogheemraadschap van Delfland kan je al die peilen zelf aflezen.

Het kaartje laat zien hoe de Bieslandse Molenvaart (-2.14 m NAP) het peil in een deel van de Bieslandse Bovenpolder regelt. Ook in een deel van de Bieslandse Polder waar je de Bieslandhoeve vindt, wordt het polderpeil bepaald door deze binnenboezem, samen met het Gemaal van de Polder van Biesland.

Andere delen van de Bieslandse Bovenpolder en Bieslandse Polder zijn met overstorten verbonden met de Tweemolentjesvaart, waaronder de Grote Plas.

Zo stroomt het water rond door de polder, van de ene sub-polder naar een andere, lager gelegen sub-polder. In stapjes, via overstorten, stroomt het water dus naar steeds diepere poldersloten, zoals we tijdens de Buiten Delftse Waterloop gaan zien. Ten noorden van het Gemaal Nootdorpse Polder vinden we de diepste sub-polder. Het polderpeil is hier in de zomer zelfs -4,9 m NAP en in de winter -5 m NAP. Vandaar wordt het polderwater door het gemaal weer naar de Boezem teruggepompt. De verblijftijd van water in de Boezem bedraagt zo’n 30 – 40 dagen. Het duurt nog veel langer voor water door het hele poldersysteem is rondgepompt, zeker in een droge periode. De volgende meer gedetailleerde kaart laat zien waar water vanuit de diepste sub-polder naar de Boezem wordt gepompt en water van de Boezem naar de Binnenboezem stroomt.

Streefpeilen en watercirculatie rondom het Gemaal van de Nootdorpse Polder.

Waterhuishouding in de polders NO Delft