Een polder is een afgesloten, laaggelegen stuk land, omgeven door waterkeringen. Het is kunstmatig drooggelegd en de waterstand in zo’n polder moet dan ook kunstmatig worden geregeld. Dat gebeurt via sluizen, overlaten en pompen.

Al in de 11e en 12e eeuw werden in Nederland polders aangelegd.

Het woord polder is afkomstig van het oud-Nederlandse woord “polra”, dat “verhoging van aangeslibd land” betekent. Het woord is letterlijk overgenomen in 36 talen wereldwijd.

Er bestaan diverse types polders, zie Wikipedia. Rondom Delft vind je alleen veenpolders, eigenlijk laagveenpolders. Zulke polders ontstaan door ontginning, waardoor het gebied inklinkt (subsidence). Afwatering is dan noodzakelijk. Dat gebeurt door sloten en weteringen te graven. Een wetering is een wat bredere afwateringssloot. Weteringen zijn weer verbonden met een boezem of binnenboezem. Zo ontstaat een hiërarchie aan watergangen, met sluizen, overstorten en pompen.

Die watergangen mogen natuurlijk niet dichtslibben of dichtgroeien met vegetatie, want dan zouden ze geen water meer kunnen afvoeren. Landeigenaren zijn meestal zelf verplicht de watergangen schoon te houden, en de oevers stabiel. Dit wordt twee keer per jaar door “schouwmeesters” van het waterschap gecontroleerd tijdens de zogenaamde “schouw”. Deze schouwmeesters zijn overigens vrijwilligers die direct door de Dijkgraaf worden aangestuurd.

De Buiten Delftse Waterloop brengt ons langs drie polders: de Bieslandse Bovenpolder, de Bieslandse Polder en de Polder van Nootdorp. Deze polders zijn in onderstaande Google Earth satellietfoto ingetekend. De waterhuishouding in deze polders wordt hier uitgelegd.

De polders ten noordoosten van Delft