De Delftse Hout was vroeger agrarisch gebied, afgewisseld met moerassen. De weide-veengronden stonden eigenlijk alleen extensieve veeteelt toe. Hier lees je een stukje geschiedenis van de Delftse Hout. Eind zestiger jaren van de vorige eeuw werd de Grote Plas gevormd door zandafgravingen. Dat zand werd gebruikt voor de aanleg van nieuwe woonwijken in de omgeving en de daarbij behorende straten. De Gemeente Delft heeft toen een plan opgesteld om het gebied om te vormen tot recreatiegebied, de Delftse Hout. Het hele gebied meet nu circa 300 ha, waarvan een kleine 40 ha uit water bestaat. De Grote Plas zelf is ongeveer 21 ha groot. Het gebied grenst nu aan het Bieslandse Bos en je kan tot aan Zoetermeer door het groen wandelen en fietsen.

De Grote Plas is nu gemiddeld 2,5 m diep. Maar tijdens de zandwinning ontstonden zuiggaten tot 7 m diepte. Veel van die diepe gaten zijn overigens langzaam verdwenen doordat zand uit de omgeving die putten inkwam. Er zijn echter nog een aantal diepe putten over die nu 4 – 4,5 m diep zijn. In 1966 werd door de Universiteit van Wageningen een eerste studie uitgevoerd of de plas geschikt zou kunnen zijn als zwemwater. Uit metingen tussen 1972 en 1974 bleek dat de chemische en bacteriologische kwaliteit goed genoeg was. Wel was het doorzicht erg beperkt, minder dan 1 meter. Indertijd maakte men zich daarover alleen zorgen in verband met de fysieke zwemveiligheid – men veronderstelde dat men sneller zou verdrinken in troebel water!

Bovendien werd geen rekening gehouden met een mogelijke eutrofiëring in de plas. Eutrofiëring betekent overbemesting door voedingsstoffen (nutriënten), vooral fosfor- en stikstofverbindingen. Onder andere blauwalgen, giftige cyanobacteriën gedijen dan, met name als de watertemperatuur hoger wordt, dus in de tweede helft van de zomer. Zwemmen wordt dan afgeraden omdat je dan huidirritatie (zwemmersjeuk), maag- en darmklachten, oogklachten, enzovoort kunt krijgen. Dit is een al jaren een terugkerend probleem in de Grote Plas (en ook in de Dobbeplas).

Een deel van die nutriënten zijn opgelost in het water. Maar het grootste deel hecht zich aan het slib in de plas. Dat slib bestaat overigens voornamelijk uit organisch materiaal, zoals detritus (dode algen), ingewaaid blad en andere plantenresten. Daarom besloten de Gemeente Delft en het Hoogheemraadschap van Delfland om in 2012 slib weg te baggeren en andere maatregelen te nemen, zoals het afbakenen van een afgezonderd hondenstrandje, omleiden drainagewater, aanpak van ganzenoverlast, enzovoort. Verder besloot men om de blauwalg met waterstofperoxide te lijf te gaan. Dit experiment werd vier jaar volgehouden, en in 2017 werd er die zomer geen blauwalg aangetroffen. In de andere jaren werd de blauwalg piek een week of vijf vertraagd.

De waterstofperoxide aanpak was echter symptoombestrijding en het probleem kwam helaas snel terug. Naast de overbemesting was/is er namelijk nog een probleem. Grote delen van De Grote Plas zijn zo diep dat licht de bodem niet kan bereiken. Dan kan er ook geen vegetatie groeien. Om de relatie met de blauwalg te begrijpen, duiken we een beetje in de ecologische kringloop van een plas. Ook in een gezonde ondiepe plas zullen blauwalgen ontstaan. Deze worden echter begraasd (gegeten) door watervlooien. Watervlooien op hun beurt zijn weer voedsel voor een groot aantal vissen. En op hun beurt worden die vlooien-etende vissen bejaagd door roofvissen zoals de baars en de snoek. Veel van die vissen (karpers!) woelen ook nog eens de bodem om op zoek naar voedsel. Zo houden de roofvissen dus eigenlijk de cyanobacteriën onder controle en het doorzicht goed. Maar dat lukt alleen als de roofvissen hun prooien kunnen zien – het zijn zichtjagers. En dat heldere water wordt weer in stand gehouden door vegetatie dat fijn slib invangt.

Welnu, in het voorjaar is de Grote Plas erg helder met meters doorzicht. In de ondiepere delen van de plas ontwikkelen planten zich snel, ook onderwaterplanten. Het water zit barstensvol watervlooien. Dus waarom gaat het dan later in het jaar mis?

Het sleutelwoord is eutrofiering. Dit is een probleem in vrijwel alle Nederlandse oppervlaktewateren. Als er te veel meststoffen zijn, groeien de blauwalgen zo snel dat de watervlooien ze meer niet in bedwang kunnen houden. En die groei is sneller als de watertemperatuur stijgt, dus later in de zomer. De algen zelf vertroebelen het water ook al een beetje. Daardoor kunnen de roofvissen de vlooien-etende vissen niet meer goed zien, dus niet bejagen. Dan zijn er nog minder vlooien om de blauwalg op te eten. Het wordt nog troebeler, en er komt geen licht meer op de bodem, waardoor de planten sterven. En dan wordt het nog troebeler, en komt de karper er nog een schepje bovenop doen. Zij brengen de aan het slib gehechte meststoffen weer in het water. Enzovoort, enzovoort. Het blijkt is dan erg moeilijk om die viscieuze cirkel te doorbreken, dus om de oorspronkelijke situatie te herstellen – dit heet hysterese: de heenweg is korter dan de terugweg. In de ecologie heet dit een systeemomslag (kantelpunt). Welnu, wetenschappers zijn erg bezorgd dat het klimaat ook zulke kantelpunten kent, en dat het dus erg moeilijk is de pre-industriële situatie te herstellen.

Maar omdat grote delen van de Grote Plas aanvankelijk al te diep waren voor grootschalige vegetatie, is de plas vanaf het begin troebel geweest en heeft nooit dat evenwicht gekend tussen blauwalg – watervlo – vlooien-etende vis en roofvis, althans niet gedurende het hele jaar en niet op de schaal van de gehele plas.

Rietoever (natuurvriendelijke oever) en drijvend eiland in de Grote Plas.

Daarom volgt men sinds een aantal jaren een andere aanpak om de blauwalg te bestrijden. Steile overs worden minder stijl gemaakt, zodat langs de oevers veel meer vegetatie kan ontstaan (zogenaamde natuurvriendelijke oevers – de ondiepe gebieden worden groter). Deze vegetatie vangt slib in, en filtert ook nog eens meststoffen uit het water. Verder zijn er drijvende eilanden met vegetatie gemaakt. Ook deze vegetatie filtert meststoffen uit het water, en het water onder de eilanden wordt helderder omdat je lokaal minder stroming en golven hebt die anders mede de bodem kunnen opwoelen. Vlooien-etende vissen worden weer bejaagd. Verder heeft men de mosselen die van nature in de plas voorkomen een handje geholpen. Dat doe je door zogenaamd substraat te maken, zoals touwen aanbrengen onder de drijvende eilanden. En omdat één mossel tot wel 10 liter water per uur kan filteren, kan dat flink bijdragen aan de oplossing van het probleem.

Zo’n ecologische aanpak vraagt echter onderhoud en tijd en de blauwalgproblemen zijn daarom nog niet opgelost. Deze video vertelt het verhaal van de ecologische aanpak. Vele bezoekers vragen waarom we de plas niet “gewoon doorspoelen” met schoon water. Welnu, de Grote Plas ligt zoveel lager dan haar omgeving (zie waterhuishoding in de polders), dat dat erg moeilijk wordt.

Waterkwaliteit in de Grote Plas – blauwalg