Veel vissen migreren op zoek naar voedsel, veilige plekken en beschutting of om redenen van waterkwaliteit (temperatuur, zuurstofgehalte, …). Sommige vissen leggen lange afstanden af om hun paaigebieden te bereiken. Dit zijn de trekvissen. De bekendste zijn de paling (aal, glasaal) en zalm die migreren tussen zout- en zoetwater.

Ook de vissen in de Zuid-Hollandse wateren trekken rond. De driedoornige stekelbaars bijvoorbeeld leeft in zout water, en trekt tussen februari en mei naar sloten en beken (dus de polder in) om zich voort te planten. Tussen juli en september migreren de jonkies weer naar hun zoute habitat (dus de polder uit). Andere vissen, zoals voorns (blankvoorn, bittervoorn, ruisvoorn), karpers, baarzen en snoekbaarzen trekken rond binnen een polder, of tussen polders op zoek naar beschutting, voedsel en geschikte paaiplekken, maar blijven in de buurt. Zij verlaten nooit het zoete water. In publicaties van de natuurbeschermingsorganisatie RAVON (reptielen, amfibieën, en visonderzoek Nederland) kan je veel details over deze vissen en hun gedrag vinden.

De Delftse Schie vormt een belangrijke verbinding voor de vissen in het watersysteem van het Hoogheemraadschap van Delfland. Vissen zoals de aal en de driedoornige stekelbaars gebruiken deze vaarweg als route om van hun geboorteplaats naar zee en weer terug te kunnen zwemmen om zich voort te planten.

Dat rondtrekken wordt echter bemoeilijkt door de vele constructies in onze polderwateren. Een niet te hoge overlaat is nog wel een te nemen horde, maar een gemaal is niet te passeren – vissen worden in de pompen fijngemalen. De visstand rondom Delft, en elders in het land, nam dan ook gestaag af, totdat in de laatste decennia van de vorige eeuw maatregelen genomen werden.

De Nieuwe Visatlas toont kaarten met vissen die je in de Zuid-Hollandse water kunt vinden. Deze kaarten laat ook zien dat de vele maatregelen om vistrek te bevorderen hun vruchten beginnen af te werpen. Vissen, ook zeldzame exemplaren, beginnen hun traditionele habitat weer te bevolken en ook het aantal vissen neemt toe. Hier lees je wat het Hoogheemraadschap van Delfland hieraan bijdraagt, en welke maatregelen beschikbaar zijn.

De vispassages in het Gemaal van de Polder van Nootdorp en van de Polder van Biesland bestaan uit een koker met een afsluitbare rustruimte, zoals hier geschetst. In het voorjaar als de vissen de polder in willen zwemmen, wordt met een kleine pomp polderwater de boezem ingepompt. In het najaar, als de vissen de polder willen verlaten wordt boezemwater de polder ingepompt. De vissen ruiken dat water en ze worden de koker ingelokt – dit is de zogenaamde lokstroom. Ze zwemmen de rustruimte in, en na een tijdje worden de deuren achter hen gesloten, en opent een deur naar ander zijde van de passage. Zo kunnen de vissen grote hoogteverschillen overwinnen zonder de pompen van het gemaal te passeren.

Deze cycli herhalen zich in het trekseizoen enkele keren per dag/nacht volgens een door visbiologen opgezet schema. Hier zie je nog een leuk YouTube filmpje over vispassages als onderdeel van de serie “Ernst’s OnderWaterWereld” van Ernst Raaphorst, ecoloog bij het Hoogheemraadschap van Delfland.

Schets vismigratie van Boezem naar polder.

Vistrek of vismigratie